
De laatste jaren zakt Nederland steeds verder weg op de lijst kennislanden. Afhankelijk van welk lijstje je raadpleegt, dreigen we zelfs uit de top 10 te verdwijnen. Tijd dus om daar iets aan te doen, vindt het kabinet. Nederland wil terug in de internationale top 5 van kennislanden. Dat begint, vindt ook 'de politiek', bij het onderwijs. Maar wat moet je doen als de budgetten alsmaar naar beneden gaan en onderwijsinspectie meer macht lijkt te hebben dan de politiek bij de bepaling van kwalitatief onderwijs? Drie invalshoeken voor primair onderwijs dat past in deze tijd.
In Nederland zijn opbrengst en doelmatigheid van het onderwijs al jaren de norm voor kwaliteit. Dit betekent in de praktijk dat alle kinderen worden klaargestoomd om een vooraf bepaald kennisniveau te bereiken. Voor het basisonderwijs betekent dit dat de onderwijsopbrengst een minimale reken-, schrijf- en leesvaardigheid dient te zijn. Om te toetsen of het onderwijs daaraan voldoet, bestaat het leerlingenvolgsyteem Cito. Mede als gevolg van de vele bezuinigingen, maar ook als gevolg van het denken over onderwijs, betekent dit dat scholen en docenten steeds meer afgerekend worden op kwantitatieve resultaten. Kort gezegd: een eenduidig cijfer. Dat is handig, want zo kun je lijstjes maken van wie wel en wie niet goed presteert.
Wat in deze discussie steeds meer naar de achtergrond is verdwenen, maar door maatschappelijke ontwikkelingen opnieuw actueel is geworden, is het kind zelf. Het kind dat begeleid wordt om zich als volwaardig burger zelfstandig in de samenleving staande te houden en zich te kunnen ontwikkelen. Maar wat houdt dat eigenlijk in? In welke wereld moet het kind zich straks staande houden en een bijdrage leveren?
Huidige en toekomstige generaties kinderen en jongeren ontwikkelen zich in een omgeving waarin de wereld letterlijk onder de knop zit van hun smartphone, laptop, ipad, tv en game console. Maar of zij die wereld met het huidig onderwijs ook onder de duim krijgen, is een vraag. Terwijl het leven van kinderen vol elektronica zit, zeulen de bovenbouwers dagelijks met een loodzware rugzak vol boeken en schriften naar school waar zij aan lessenaars gezeten rijtjes kennis stampen. Ter afwisseling van de boekenstof worden de lessen af en toe afgewisseld met 'leerzame' dingen als een themabezoek aan een museum, zwembad, moestuin of dierenpark. Leuke activiteiten die zouden moeten bijdragen aan de algemene, culturele, maatschappelijke ontwikkeling van het kind. Door geld- en tijdgebrek zij deze activiteiten echter steeds vaker optioneel in het onderwijsprogramma ingebed.
Zo kunnen mijn eigen kinderen alleen naar een activiteit buiten de school als het schoolbusje dat hen er naartoe moet brengen, beschikbaar is en niet toevallig door een andere klas wordt gebruikt. Hiermee is wel duidelijk dat dergelijke activiteiten geen vaste plaats hebben in het onderwijsprogramma en dus moeilijk een concrete bijdrage kunnen leveren aan de gewenste opbrengst. Voor de onderwijzer is het dus lastig om het leerprogramma met 'buitenschoolse' activiteiten 'opbrengstgericht' aan te vullen en te combineren. Als de prioriteit van een bezoek aan een museum, moestuin of zwembad ligt bij de beschikbaarheid van transportmiddelen, dan ligt zij dus niet bij de kwaliteit en diversiteit van het onderwijsprogramma zelf en kan zij dus moeilijk meetellen in het leerlingenvolgsysteem dat gebaseerd is op eenheid en gelijkaardigheid in de onderwijsopbrengst. Het is dan ook niet voor niets dat dergelijke activiteiten worden geoormerkt als 'buitenschools'. En alles wat 'buitenschools' is, is in tijden van bezuinigingen al snel overtollig vet. Terug dus maar naar de loodzware boekentas en de lessenaar met houten stoel.
No-nonsens onderwijs.
Maatschappelijke organisaties maken zich druk over allerlei ontwikkelingen in de samenleving. Onder het mom ´je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn´, proberen talloze maatschappelijke organisaties een voet tussen de deur te krijgen op basisscholen. In augustus vorig jaar verzamelden Reinier Bos en Frank Voskuilen, twee directeuren van twee Haarlemse basisscholen, de oogst van een paar weken nieuws en post. Enkele voorbeelden:
- Burgemeester Van der Laan van Amsterdam wil dat scholen meer voorlichting geven over homoseksualiteit;
- Op gezonheidsplein.nl woedt een discussie over het verplicht stellen van EHBO in het basisonderwijs;
- Het Nibud houdt een pleidooi voor ‘leren omgaan met geld’. Daar zou het basisonderwijs meer aandacht aan moeten besteden;
- De werkgroep integratie gehandicapten wil op basisscholen les gaan geven over gehandicapten;
- De Verslavingszorg Noord Nederland biedt lespakketten aan voor basisscholen om kinderen voor te lichten over het gevaar van drugsgebruik.
Kennelijk vindt de omgeving dat er ontwikkelen in de samenleving plaatsvinden die niet of onvoldoende terug te vinden zijn bij het omgevingsbewustzijn van kinderen en derhalve een gevaar vormen voor hun eigen ontwikkeling of dat van anderen. Of ze daar gelijk in hebben is niet aan mij om te beoordelen, feit is wel dat maatschappelijke organisaties vinden dat het (primair) onderwijs doorgeefluik zou moeten zijn van maatschappelijke issues.
Op die manier raakt de focus in het onderwijs natuurlijk snel zoek. Naast deze 5 voorbeelden zijn er nog tientallen zo niet honderden maatschappelijke issues die om aandacht vragen. Liefst in het onderwijs. Maar dat heeft er geen tijd voor, want moet de kinderen primair leren lezen, schrijven en rekenen en met de diversiteit van de klassensamenstelling is het al lastig genoeg om iedereen mee te krijgen in tempo en niveau. Voornoemde schooldirecteuren houden daarom een warm pleidooi voor no-nonsens onderwijs. Weg met alle toeters bellen die niet bijdragen aan een goede oogst. Weg dus met de voorleesochtend waar meer of minder bekende Nederlanders uit een prentenboek komen voorlezen. Weg met de Juffendag waarin de hele dag de verjaardag van de juf wordt gevierd. Weg met de eigen verjaardagstraktatie waarmee kinderen de hele school door mogen gaan. Weg met de excursie naar de Efteling (daar zijn de kinderen in de zomervakantie toch al geweest). Weg met het moederdagcadeautje. Terug de schoolbanken in.
Het klinkt misschien wat radicaal, maar ongelijk hebben deze heren natuurlijk niet. De schoolexcursie is ooit in het leven geroepen om kinderen iets te bieden wat zij in het dagelijks leven niet kunnen krijgen. Tegenwoordig komt ieder kind aan zijn entertainment. Het moederdagcadeau was ooit het idee van een leraar handvaardigheid die de kinderen een mooie techniek wilde leren dat je thuis aan je moeder kon laten zien. Tegenwoordig is het een prullaria feest waar kinderen vaak niet meer doen dan een gipsafdruk maken van hun hand waar de juf dan de naam van het kind op schrijft. Wat moet je ermee als moeder? Wat steekt het kind ervan op?
Zo bezien kan het basisonderwijs aardig op de schop en moet de onderwijzer verlost worden van de organisatie van activiteiten die de leeropbrengst maar in de weg zitten. Maar welke richting kies je?
Bos en Voskuilen kiezen ervoor om de aandacht terug te brengen naar de opbrengst van het onderwijs en voegen zich hiermee in het pleidooi van de Onderwijsraad en het toetsingssysteem van de onderwijsinspectie. Daarmee werken ze dan in ieder geval aan de verbetering van de onderwijsopbrengst volgens de Cito normen. Maar is die nog wel voldoende valide. Is het huidige leerlingenvolgsysteem niet een beetje buiten de maatschappelijke realiteit komen te staan?
Op naar democratisch onderwijs dan maar? Onderwijs waarin leerlingen worden aangesproken en aangemoedigd om hun talenten te ontdekken en te ontwikkelen? Immers, de maatschappij vraagt steeds meer om mensen met een talent, niet om gelijkvormige kennis. Door de in hoog tempo voortsnellende digitalisering en globalisering van de samenleving en economie, waarin samenwerken en het leveren van een waardevolle bijdrage om antwoorden te vinden, net zo belangrijk is als het kunnen lezen, schrijven en rekenen, wordt van kinderen andere vaardigheden gevraagd dan zij op school meekrijgen.
Modern onderwijs, zeggen sommigen, staat in het teken van de toekomst. Als kinderen zo’n 18 jaar naar school gaan, dan mag je toch verwachten dat zij zich voorbereiden op de samenleving van de toekomst? En in die toekomst zullen er beroepen zijn die nu nog niet bestaan en zullen er technologieën zijn die wij nu nog niet kennen, zullen er uitdagingen zijn die wij nu nog niet kunnen bedenken. Het onderwijs moet dus kinderen afleveren die die toekomst gaan vormgeven. Daarvoor hebben zij andere vaardigheden nodig. Moeten zij kunnen combineren en redeneren, kunnen samenwerken en iets toevoegen. Kinderen met een talent dat verder strekt dan het kunnen onthouden van kennis.
In de put ondanks bovengemiddelde score.
Basisschool De Vallei uit Renkum is zo’n school. De kinderen worden daar aangesproken op het ontwikkelen van hun talenten. Enerzijds staat de wens van het kind op De Vallei centraal. Anderzijds staat het inzicht in hoe de wereld in elkaar zit, centraal. Er zijn dan ook geen traditionele klaslokalen, maar heeft de school nog het meeste weg van een mini-samenleving waarin de kinderen geconfronteerd worden met het leren omgaan met de werkelijkheid. Rekenen bijvoorbeeld. Het rekenen met geld krijgt voor de kinderen veel meer betekenis als ze zelf met echt geld boodschappen moeten doen in een winkel, dan wanneer ze uit een boekje een geldsom uitrekenen. Het opzoeken van de tarieven en openingstijden uit de tabellen op internet krijgt voor de kinderen meer zeggingskracht als ze dit nodig hebben om een uitstapje te organiseren.
Als kinderen op die manier hun vaardigheden leren, is de gedachte, begrijpen ze eerder en beter wat ze nou aan het doen zijn; ze zijn ervaringsgericht aan het leren. Daarnaast wordt meteen duidelijk waarom ze dit moeten leren. De kinderen komen er vanzelf achter dat ze het nodig hebben voor het functioneren in de maatschappij.
De verantwoordelijkheden die de kinderen op De Vallei krijgen, zijn niet gering. Zo hebben de kinderen zelf de verantwoordelijkheid te beslissen over de besteding van een budget van 20.000 euro per jaar. Ze moeten daar zaken van bekostigen als knutselmateriaal, kookmateriaal, speelgoed, sportevenementen, muziekprojecten, et cetera.
Het onderwijssysteem van De Vallei lijkt doel te treffen. Een bovengemiddeld aantal leerlingen gaat na de basisschool naar de HAVO of het VWO. Voor de onderwijsinspectie is De Vallei echter een school waar ze niet goed raad mee weet. Omdat het traditionele en op basisopbrengst gerichte leerlingvolgsysteem Cito volgens De Vallei niet verplicht is, mar volgens de inspectie wel, is de laatste weigerachtig de school een ‘voldoende’ te geven. Derhalve wordt de school met sluiting bedreigd. Het is dus kennelijk niet het individuele resultaat dat telt, maar de mate waarin je als school je aan de regels van de inspectie houdt en het resultaat de optelsom van de prestaties van alle leerlingen bij elkaar is. Gelijkvormigheid dus. Zowel tussen leerlingen als tussen scholen.
Ontwikkelen tegen de stroom in.
Scholen die ook met sluiting bedreigd worden vinden we in regio’s waar het aantal leerlingen sterk afneemt, de zogenoemde krimpregio’s, zoals Zuid Limburg. Door de demografische krimp zullen in Zuid Limburg de komende 20 jaar tot 40% minder kinderen het basisonderwijs instromen. Omdat het huidige onderwijs mede wordt afgerekend op aantal leerlingen, betekent een kleinere instroom minder budget. En minder budget betekent een continuïteitsprobleem.
Hier komt het primair onderwijs in een spagaat te staan. Enerzijds moet de opbrengst omhoog, anderzijds daalt het aantal leerlingen en dus het budget. Openbare onderwijsinstellingen in Zuid Limburg bezinnen zich daarom nu op hun eigen toekomst. Onder het credo ‘boeiend onderwijs dat past in deze tijd’ wordt gezocht naar mogelijkheden om zich zo relevant mogelijk te profileren om zodoende zoveel mogelijk leerlingen aan zich te binden en de budgetten veilig te stellen. Anderzijds bepaalt de norm van de onderwijsinspectie wat de minimale nominale opbrengst dient te zijn.
Het is maar de vraag of de onderwijsinstellingen in Zuid Limburg daarbij gebaat zijn. De problematiek van de krimp strekt zich namelijk maatschappijbreed uit. Dan gaat het over de organisatie van werkgelegenheid, de inrichting van de zorg die naarmate de bevolking vergrijst steeds pregnanter wordt, over interregionale infrastructuren, de ontwikkeling van niet alleen kennis, maar juist ook van het probleemoplossend vermogen van de inwoners.
Zoals in Zuid Limburg goed zichtbaar is, worden oplossingen voor de krimp vooral gezocht in het ontwikkelen van nieuwe samenwerkingsverbanden, nieuwe onderwijssystemen, nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe levensstijlen. Het onderwijs zou daar, veel meer dan nu nog het geval lijkt te zijn, een actieve rol in moeten spelen. Als je met minder mensen meer moet doen, dan heb je een ander ‘soort’ mensen nodig. Mensen die antwoorden kunnen bedenken op knap ingewikkelde problemen. Mensen die anders denken en anders werken; vormgevers. Mensen die misschien wel vinden dat 1+1=11. Dit alles met als doel Nederland terug te krijgen in de top 5 kennislanden. Hoe het ook moet, begin februari kan je zelf laten weten wat je van de kabinetsplannen vindt en waar het onderwijs heen moet.
Wat een ontzettend goed stuk! Er is inderdaad heel wat mis met het huidige onderwijs systeem. Maar dat is ook niet heel erg gek als je bedenkt dat het is vorm gegeven tijdens de verlichting en sindsdien heel wat kleinere aan passingen heeft gehad maar nooit écht op de schop is genomen. We zitten nog steeds in de banken, moeten nog steeds rijtjes stampen met nutteloze kennis. Scholen zijn opgezet als fabrieken, je stroomt in, volgt een aantal stappen in het ontwikkelingsproces en als alles goed gaat en niks kortsluiting maakt kom je er uiteindelijk uit met alle verplichte kennis in je hoofd en een diploma. Er is, binnen het lesprogramma, geen of nauwelijks ruimte om je eigen talenten te ontwikkelen of, bijna nog belangrijker, divergent te denken. Er is 1 antwoord mogelijk, dat staat op de achterkant en je mag vooral niet kijken!
BeantwoordenVerwijderenWat moet er dan veranderen? We moeten naar een schoolsysteem waar er plaats is voor het individu om zijn eigen talenten te ontwikkelen, om de weg te gaan die voor hem het beste is. De maatschappij heeft zich zo ontwikkelt dat kennis hebben niet meer genoeg is. Iedere leek kan op wikipedia opzoeken wat quantumfysica is of hoe de geschiedenis van Nerdeland verliep.
Dat kennis moet verdwijnen, dat beweer ik niet, maar dat de focus ergens anders zou moeten liggen wel.
Dat papiertje, of er nu tl, havo of vwo op staat, is geen garantie meer voor een baan. De bedrijfswereld is opzoek naar mensen die meer te bieden hebben. Het onderwijs moet daar op inspelen, meer focussen op talent en minder op kennis.
Help die leerlingen nu om zich als unieke arbeidskrachten te ontwikkelen in plaats van ze allemaal door de zelfde fabriek te sturen waar ze allemaal hetzelfde leren en er allemaal het zelfde uitkomen.
echt een geweldig stuk :) gaaf om te lezen echt prachtig, ik wil graag nog een keer afspreken om te kijken hoe wij jou en basis scholen kunnen helpen.
BeantwoordenVerwijderen